177. MINERVA.

Heeft er één van mijn lezers al eens gegeten in het Minerva‑restaurant in de Karel Oomsstraat in Antwerpen? En hebt u dan over de glazen vloer gelopen waaronder een stukje van de oude Minerva‑werkplaats te zien is? Ik niet. Ik loop er al jaren voorbij, maar ik ben nog nooit binnen geweest. Misschien omdat ik bang ben dat die glasplaat mij gaat aankijken en zeggen: "Awel, gij woont hier vlakbij en ge hebt mij nog nooit bezocht? Een schande is het."
Het is een vreemd idee: een restaurant dat boven een werkplaats ligt die er niet meer is, waar auto's hun tweede adem kregen, alsof de geschiedenis daar nog altijd onder de tafels ligt te wachten tot iemand haar opmerkt. De straat zelf bestond nog niet toen Minerva hier op volle toeren draaide. De wijk was toen een mengelmoes van werkmanswoningen, losse kavels en een paar burgerhuizen die zich al wat belangrijker voelden. De fabriek lag er al, groot en lawaaierig, maar de nette straat kwam pas later.
De fabriek MINERVA maakte auto's die ge niet zomaar kocht. Geen Ford T's, geen massaproducten. Het waren wagens die stil reden, zwaar, elegant. Wagens voor mensen die hun chauffeur kenden bij naam. En dat allemaal hier, in een buurt waar nu mensen hun hond uitlaten, naar de supermarkt gaan en naar het Medisch Centrum alsof het er altijd geweest is.
Ik probeer me soms voor te stellen hoe het was als de dagtaak van de arbeiders erop zat. De fluit, de poorten die openzwaaiden, en dan die golf van mannen die naar buiten rolde. Petten, overallstof, lunchdozen. De geur van rubber die zich mengde met de avondlucht. Ze liepen niet door mijn straat, want die lag er nog niet, maar ze trokken wel door de buurt: richting Mechelse Steenweg, Troonplaats, Berchem Station. Een donkere stroom die zich verspreidde, alsof de fabriek hen uitademde.
Overal in de buurt hadden rijke families hun plesanterieën. Salons met fluwelen gordijnen, wintertuinen, kinderen die Frans spraken tegen de hond, en dienstmeiden die de voorgevel schrobden, want een echte stoep was er toen nog niet. Paardenkarren voor de happy few, en verderop de geur van olie en brood. Twee werelden die hier naast elkaar lagen zonder elkaar te zien.
En de naam: Minerva. Waarom precies Minerva? Waarom geen Diana, of Juno, of een andere godin die even streng kijkt? De naam Minerva komt van de godin van wijsheid en ambacht. De Romeinen gaven haar een uil: een kleine steenuil die ziet wanneer anderen niets meer zien. Ik vind dat een schoon beeld voor een fabriek die verdwenen is, maar waarvan haar echo nog onder een glazen vloer ligt.
Mijn straat heeft asfalt, de Minerva‑fabriek is verdwenen, en waar zij ooit stond, staat er nu een enorm appartementenblok. Maar de garage bestaat nog steeds, nu niet meer als garage, maar als een fijn restaurant met exquise eetwaren. Het serveert niet alleen eten, maar ook de herinnering aan vervlogen tijden. En ik, door hier te wonen, voel me een beetje erfgenaam van iets wat ik nooit heb gezien.
Misschien moet ik toch eens binnen gaan, op die glasplaat staan, en kijken naar wat er onder mijn voeten ligt. Niet om nostalgisch te doen, maar om even te voelen hoe het leven in er in mijn buurt uitzag.
Extra: Minerva is een populaire naam. De studentenvereniging van Willem‑Alexander heet zo, en de godin Minerva waakt al eeuwen over wijsheid en ambacht. In deze buurt lag vroeger de afspanning 'Den Dryhoeck', waar paarden werden afgespannen en reizigers een borrel en een hap kregen. En in Antwerpen bestaat ook Radio Minerva, een zender die al decennialang evergreens en nostalgische muziek brengt (op 98.0 FM). Maar de Minerva die voor mij telt, is de fabriek die auto's maakte in de Karel Oomsstraat toen de vogels nog spraken.
