170 - DE HUIFKAR.

Een annonce in het TV-blad: (ik citeer: Moderne remake van de klassieke dramareeks - Waar zijn voorganger (Bonanza) de melodramatische kaart trok, wil deze serie een realistisch beeld schetsen van het Amerikaanse pioniersleven aan het einde van de 19de eeuw.)
Ha ja, hoe écht? Dat wilde ik wel eens zien. Na drie afleveringen ben ik perplex achtergebleven. Het is té zoet, té wereldvreemd, té sprookjesachtig. En vooral: de hele setting: de prairie, de acteurs, tot de kleur van de gordijntjes, ze zijn zo netjes in scène gezet alsof er een legertje architecten zijn tanden op stuk gebeten heeft. Want laat ons eerlijk zijn: het decor is pure fictie. De reeks doet alsof de reis naar het Westen een soort gezellige verhuis was. Een beetje rijden, een beetje kamperen, een beetje zingen rond het kampvuur. Maar de echte pioniersreis was pure overleving. In de reeks zie ik een gezin, vader, moeder en twee dochters die over de prairie helemaal alleen reizen door duizenden kilometers leegte, hitte, ziektes en vijandige gebieden? Dat was geen avontuur. Dat was een doodsvonnis.
Hun huis staat daar helemaal alleen, midden in een vlakte waar geen boom te bespeuren valt. Van waar komen die bomen dan? Wie heeft dat hout geleverd? En die gazon rondom het huis, aangelegd alsof er een tuinman met een grasmaaier is langsgekomen.
Dan heb je de bijna‑verdrinkingsscène. Alles is zogezegd verwoest, maar op tafel staan nog steeds borden eten, netjes geschikt, geen barst, geen kras. En het beeldje op de kast? Dat heeft blijkbaar een contract met de decorploeg: 'Ik blijf overeind, zelfs als de halve prairie wegspoelt.' We worden belogen en bedrogen waar we bijstaan. Zoals bv.: de set van de Titanic: een bassin, een paar badkuipen, water uit de tuinslang, en hup, het schip vergaat met man en muis. En wij, met onze empathie in overdrive, zakdoeken vol snikken.
De hitte was een dooddoener. De kou ook. De ziektes kwamen sneller dan de remedies. Water was geen romantisch beekje, het was een bron van cholera, dysenterie, en gevaarlijke dieren. En de 'Lieve buren' die nu als vriendelijke figuranten verschijnen? Dat waren volkeren die op hun eigen land leefden, verdreven werden, en terugsloegen. Niet met een knik, maar met aanvallen, brandstichting, en ja, soms ook met scalperen. Dat was geen folklore. Dat was oorlog. Wie onderweg ziek werd, bleef achter. Wie stierf, werd begraven langs het pad. Wie verder ging, ging verder omdat stilstaan even gevaarlijk was als vooruitgaan. Uitzichtloosheid was geen thema, het was de dagelijkse realiteit.
De reeks vergeet ook nog één van de grootste gevaren van de prairie: alles wat leefde. Muggen, vliegen, spinnen en kevers de voedselvoorraad opaten. Slangen onder rotsen, in het gras, in uw schoenen. En dat is nog maar het begin. Coyotes, wolven, poema's, beren, allemaal dieren die in hun wereld geen verschil zien tussen de mens en de prooi. De échte prairie was geen decor. Het was een ecosysteem dat pioniers constant testte op hun overlevingsinstinct. En toch bleven ze gaan, omdat teruggaan geen optie was.
Ik ben zelf eind jaren '60 naar het buitenland vertrokken. Niet om te pionieren, ik had een valies, ik had eten, ik had een terugweg en er waren vliegtuigen en ik kwam om de twee jaar naar huis. Honderd jaar vroeger gepionierd en dan was ik gewoon weg, weg zonder contact, zonder de zekerheid dat iemand mij ooit nog zou zien.
Misschien is dat daarom dat we zo graag naar die zachte versies kijken. Omdat we liever een prairie zien waar alles miraculeus overeind blijft, dan toe te geven dat het echte leven soms gewoon vergaat in een bassin met water uit de tuinslang.
