169 - SANTIAGO.

Eén naam met zoveel meer. Een hoofdstad in de Andes, een baai in Cuba, een heilige met een zwaard en die ene route: de Camino naar Santiago de Compostela. En daar wilde ik heen. Te voet, vanaf Saint-Jean-Pied-de-Port, over de grens, door het binnenland, tot aan de Atlantische oceaan, waar pelgrims nog een stap verder gaan, naar Finisterre, het einde van het land… maar het heeft niet mogen zijn.
En toch wordt dit geen negatief verhaal. Ik ben er geweest, niet te voet zoals gepland, maar met onze camper. Het gevoel van: wij gaan dit doen, de voorpret, ons uitzinnig gebabbel, spullen aankopen, de route bestuderen, dat alleen al was voor mijn vriendin en mij de max. Er wordt gezegd dat de voorbereiding beter is dan de reis, en ik begrijp dat nu beter dan ooit.
Toen ging het niet door. Die ontreddering van haar en van mij, de ziekte van haar man die alles stillegde, mijn dure Meindles die ik overal begon in te lopen, door de living, naar de supermarkt, elke vloer een generale repetitie van een tocht die niet kwam. Toen de reis niet doorging met mijn vriendin, besloten mijn man en ik de route dan maar zoveel mogelijk met de camper te doen.
We voelden ons soms échte pelgrims: een gebraden vis, een aardappel, een bosje groenten en pelgrimswijn, die alleen op die weg naar pelgrims smaakt. Het soort maaltijd dat niets belooft en toch alles geeft. Je zit daar, tussen mensen die hun voeten voelen tot in hun schouders, en wij, met onze camper, voelden ons even deel van hetzelfde verhaal.
De route loopt door Pamplona en Burgos, steden die historie ademen. In Pamplona schreef Hemingway zijn stieren en zijn dorst bij elkaar, en in Burgos ligt El Cid opgebaard alsof hij elk moment kan opstaan om nog één veldslag te leveren. Wij reden erdoorheen, traag, alsof de camper wist dat dit geen gewone kilometers waren.
En dan de kerk, het eindpunt, waar dat enorme vat, de botafumeiro, door de ruimte wordt geslingerd tussen de gewelven door en de lucht verzwaard met wierook. Pelgrims verzorgen er hun voeten, blaren op blaren, en met een afgepeigerd lichaam zijn ze nog nooit zo gelukkig geweest. Zo'n tocht te voet, door regen en wind, door het Baskische klimaat dat alles tegelijk kan zijn, warm, koud, slecht, goed, niet voorspelbaar, blijft een reis die je je hele leven vertelt en meedraagt.
Maar laat één ding duidelijk zijn. Ik heb de tocht niet gedaan zoals hij bedoeld is. Ik heb de pelgrims gezien, hun rugzakken, hun stapritme, hun vermoeidheid die tegelijk een soort vreugde is, maar ik heb de grond niet onder mijn voeten gevoeld zoals het had moeten zijn. Ik was er, maar niet op de manier waarop ge pelgrim zijt: traag, kwetsbaar en met elke stap een nieuwe overwinning. Ik heb geen overvolle slaapzalen en stapelbedden gezien, geen blaren en kwetsuren, geen gesnurk en geen zweetlucht van de échte pelgrims, maar ergens heb ik wel hun gedrevenheid, hun kameraadschap, hun doorzetting en vermoeidheid gezien en eigenlijk meegenoten van de pelgrimstafel. Ik moest misschien niet de hele weg gaan om te voelen wat een bedevaartstocht naar Santiago de Compostella betekent.
Ultreïa et Suseia. Twee oude woorden, een groet die pelgrims elkaar al eeuwen meegeven, nog voor de Camino door massatoerisme bijna een gewone reis werd.
