163. MARCELLUS.

18-07-2026

Aan het venster van het Schoon Verdiep in Antwerpen staat de burgemeester zijn eerste kop koffie te drinken. De stad ligt er nog slaperig bij. Hij kijkt naar buiten en vloekt: "Allez, wie zet dàt daar, vlak naast Brabo op de Grote Markt? Ik weet weer eens van niks. Als ze denken dat ze met mijn voeten mogen spelen, die… " Hij laat zijn koffietas vallen en begint furieus te bellen. Niemand weet iets en de hele reutemeteut van de stad wordt op de Markt gesommeerd. De Markt wordt afgesloten en monden vallen open.

In het midden van de kasseien staat een dodecaëder. Zo'n Romeins twaalfvlak waarvan niemand weet waarvoor het ooit diende, misschien wél voor dit. Het ding schudt een wolk blauwe rook van zich af. Een rood lampke springt aan. Iedereen deinst achteruit. Tja, een Antwerpenaar mag dan wel kloek en chauvinistisch zijn, maar wat hij niet kent, dat mint hij niet. Een kier gaat tergend langzaam open. Eén arm, twee armen, zeven armen… en dan een oog! Het wezen tilt zichzelf omhoog en ontvouwt zich zoals een pauw zijn veren. Hij hangt nu zo'n vijf meter boven de markt. En de massa kijkt met open mond omhoog zoals naar het vuurwerk om middernacht op Oudejaar. Niemand beweegt, niemand spreekt. Is dit een grap? Iets voor Carnaval? Een kunstwerk?

En dan gefluister, stj…… iemand, stj…… nog iemand en dan gefluister: "Hé, die lijkt op Marcellus van die film. Die film op Netflix: Remarkably Bright Creatures." En dan knikken ze alsof dat de enige logische vergelijking is. Niemand vermoedt dat dit het eerste bemande ruimtetuig is dat ooit op ons aardbolleke landde. Een wereldprimeur. En natuurlijk, Sinjoren zouden geen Sinjoren zijn als ze hem niet meteen hun stad wilden tonen.

De burgemeester zet een stap vooruit. De politie kijkt naar de brandweer, de brandweer naar de DOVO‑man, en de DOVO‑man naar zijn schoenen. En toch, er zit iets in die beweging dat niet vijandig is, veeleer nieuwsgierig, alsof het wil zeggen: kijk, ik ben hier, en ik kijk maar wat rond. De octopus staat diezelfde avond op de frontpagina van alle gazetten ter wereld. En daar, tussen al die internationale koppen, staan twee figuren te blinken: de octopus en de burgemeester. De ene met zijn armen, de andere met zijn trots. Een schoon duo, en heel Antwerpen en de wereld weet het.

Soms denk ik wat er zou gebeuren als er ooit écht iets landt. Er bestaat een officieel orgaan voor: COSPAR, dat zich bezighoudt met de administratie van zulke gevallen: protocollen, formulieren, scenario's die niemand ooit wil gebruiken. Maar ik vraag me af: is het genoeg? Want wat doen wij als er zo'n wezen uitstapt? Roepen? Schieten? Ontleden? Of durven we iets anders: een warme vriendschap sluiten met iets dat we niet kennen? Ik hoop op dat laatste, maar ik heb zo mijn twijfels.

En elke keer als ik in de Zoo voor dat kleine octopusje in zijn tank sta, dan denk ik terug aan mijn droom: die landing op de Grote Markt. En zie nu: er is een film over Marcellus, een slimme octopus die meer begrijpt van de mensen rondom hem dan die mensen van zichzelf. En dan denk ik: ja, zo zou het moeten zijn. Als er ooit iets landt, laat het dan een Marcellus zijn.

Extra: De octopus is een vreemd, bijna buitenaards wezen: geen mens, geen dier zoals wij ze kennen, maar een zacht lichaam met acht eigenzinnige armen, drie harten en blauw bloed. In elke tentakel zit een stukje van zijn denken, alsof zijn verstand door heel zijn lijf verspreid is. Een stille, slimme aanwezigheid die meer weg heeft van een raadsel dan van een dier. Hij zoekt contact, helder en nieuwsgierig, alsof hij ons wil meenemen naar zijn manier van denken. En wij, tragisch en onwetend, moeten hem met respect benaderen en ophouden hem als een lekkernij te zien.


Share