156. BINGO.

Spelletjes spelen is van alle tijden. In de prehistorie deden we het met steentjes: gooien, rollen, stapelen, verzamelen… spelen met wat de natuur ons gaf. Later werden het knikkers, dan bordspellen, en uiteindelijk zijn we nu huizen en appartementen aan het kopen en verkopen met Monopoly-geld alsof we vastgoedmagnaten zijn. Zonder regels? Dan wordt het pas echt een warboel. Zet iemand voor een schaakbord zonder uitleg en de paarden springen vrolijk over alles heen, met de toren als pepervat. Niemand weet wat de bedoeling is en waarom die paarden zulke rare sprongen maken. Regels trekken duidelijke lijnen, zodat het spel niet uit de bocht vliegt. Zodus, regels voor elk spel is een must voor elke deelnemer. Ik denk dat we het daarover eens kunnen zijn.
Ik kwam aan in een ver, vreemd land. Een nomadenstop aan de rand van een woestijn, kamelen, stof, hitte, vreemde talen, en een volk gekleed als carnavalisten. Na de lunch, best goed eten moet ik zeggen, nam een wat oudere man me dwingend bij de arm. Hij was gekleed in een kleurrijke djellaba en zijn hoofd was omwikkeld met een paar meter witkatoenen stof. Het was zijn gezicht dat maakte dat ik hem direct vertrouwde. Zijn bruine huid was diepdoorgroefd, een haviksneus, en pientere gitzwarte diepliggende oogjes. Hij lachte al zijn tanden bloot, allé de tanden die hij nog had, en gidste me mee naar een mededeling in de voortent. "Vingo, vingo", wees hij naar het bord. "Vingo?" Ik fronste diep; geen idee waar hij het over had. Hij bleef aandringen, zijn ogen glinsterend van verwachting. En toen viel mijn frankske: 'Oh, ja, bingo, bingo!" riep ik uitzinnig en dat maakte hem zo blij dat we beiden in een lach schoten. Er werd die namiddag een spelletje Bingo georganiseerd voor de gasten. De allereerste keer.
Ik kocht twee kaarten. Wat een fantasie, bingokaarten geknipt uit dozen Chips, met houtskool genummerd en bakje dadelpitten als fiches. Een speelgoed bingo machientje, achtergelaten door één of andere toerist, speelde de hoofdrol. Ik legde mijn pitten en na een paar ronden had ik er al vijf op de juiste plaats. Ik twijfelde, keek nog eens, en riep toen veel te luid: "Bingo!"
Ik schrok van mijn eigen stem en dan barstte de hele tent in gejuich uit. Naast de bingomolen stond een lange tafel vol prijzen: bedrukte T-shirts, een zak rijst, een fles dadelbrandewijn, een fles arak en een troebele kamelendrank. Omdat niemand de regels kenden waren alle prijzen voor mij, ik was toch de winnaar, dat er verder moest worden gebingood, daar had niemand zelfs maar aan gedacht. Min protest werd onthaald op nog meer hoerageroep. Mijn valies propvol, met prijzen en de drie flessen alcohol. De douanier wees ernaar, vroeg me: "Iets aan te geven?" En ik, de kalmte zelf, "Neen meneer, nog een fijne dag verder."
Toen ik de terminal in Brussel verliet keek ik nog eens achterom. Dezelfde douanier stond bij open koffers streng te controleren. Maar wat ik toen achter mij zag, mamma mia, dat vergeet ik nooit meer. Ik liet een spoor van gefermenteerde kamelenmelk achter mij die uit mijn valies liep. Ik heb me rap uit de voeten gemaakt.
Eenmaal thuis, efkes brood halen bij de bakker, greep ik naar mijn zakdoek en viel er nogal wat woestijnzand in het rond. De dame achter me snoof diep. De nomadengeur zal nog in mijn haar en kleed gezeten hebben. En nu, als ik terugdenk aan deze reis, zie ik vooral het enthousiasme van dit nomadenvolk, hun gastvrijheid en hun goedbedoelde chaos. Ze wilden me laten winnen, ze wilden me laten lachen en, ja, ook de prijzen, maar vooral hun warmte draag ik met me mee.
